Amfibieën en reptielen in Vlaanderen
In België komen 16 soorten amfibieën en 5 soorten
reptielen voor. Wallonië is 2 reptielensoorten rijker dan Vlaanderen.
De inheemse herpetofauna is relatief vrij arm te noemen. België is op
de eerste plaats een klein land en kan niet vergeleken worden met meer
uitgestrekte landen die er een grotere diversiteit aan ecosystemen en dus
ook aan soorten op nahouden. Bovendien ligt ons land net boven het areaal
van meer zuidelijke soorten.
Wat zijn amfibieën en reptielen?
De amfibieën omvatten de wormsalamanders
(Gymnophiona), salamanders (Caudata of Urodela), kikkers en padden
(Anura). Ze ontwikkelden zich een 350-400 miljoen jaren geleden,
waarschijnlijk uit de beenvissen (Osteichthyes). Ze waren de eerste
gewervelden die een voet aan wal zetten. De evolutie naar landleven ging
gepaard met de ontwikkeling van een huid die hen tijdelijk beschermt tegen
uitdroging, en met de ontwikkeling van ledematen en longen.
De levenscyclus van de meeste Amfibieën bestaat
immers uit een aquatische en terrestrische fase: ze beginnen hun leven in
het water als larven, ondergaan een gedaanteverwisseling (metamorfose) en
gaan aan land waar ze tot volwassen dieren uitgroeien. De eerste fossiele
vondsten van reptielen zijn iets later en dateren uit het Boven-Carboon,
zowat een 260 miljoen jaren geleden. Amfibieën hebben naast een ademhaling
door longen ook een huidademhaling. De huid van amfibieën is zeer
permeabel, zowel voor water als lucht. In de huid gelegen bloedvaten
kunnen via diffusie zuurstof opnemen. Om zich tijdens het landleven tegen
uitdroging te beschermen zijn ze in staat grote hoeveelheden water op
korte tijd op te nemen.
Reptielen zijn in zeer sterke mate aan het leven op
het land aangepast. Ze hebben enkel een longademhaling en hun huid is
opgebouwd uit een veel dikkere hoornlaag en bovendien bedekt met schubben
of schilden. Deze huid kan niet meer groeien als ze gevormd is en moet
regelmatig vervangen worden door de nieuwe eronder liggende huid die iets
groter is. Daarom vervellen hagedissen en slangen regelmatig. Ze stropen
de bovenliggende huid af. Amfibieën differentiëren zich ook van
reptielen in hun voortplanting: bij de amfibieën gebeurt de ontwikkeling
uit het ei (sommige soorten zijn levendbarend) via larve stadia.
Bij de reptielen is het embryo omgeven door een
vruchtvlies (amnion) en gebeurt de ontwikkeling van het embryo in een
perkamentachtige of kalkachtige schaal.
Een ander groot verschil tussen amfibieën en
reptielen is hun manier van paring en van bevruchting. Bij amfibieën is er
in tegenstelling met de reptielen (op uitzondering na van de in de tropen
voorkomende wormsalamanders) geen direct contact tussen de beide partners
tijdens de copulatie en is de bevruchting uitwendig, zoals bij de kikkers
en padden of inwendig zoals bij de salamanders. De paring bij amfibieën
heeft doorgaans in het water plaats. Bij de kikkers en padden stort het
mannetje zijn zaad over de eieren als die door het wijfje afgezet worden.
Bij de salamanders zet het mannetje een spermatofoor (een gelatineuze
massa die bestaat uit een geleiachtige kegel met boven aan een spermahoed)
af in de buitenwereld (land of water) die vervolgens door het wijfje via
de cloacale lippen opgenomen wordt en in de spermatheek (een ruimte
bovenaan in de cloacaholte) opgeslagen.
Onze inheemse reptielensoorten behoren tot de orde
van de Squamata. Meerdere kenmerken verklaren een nauwe verwantschap
tussen hagedissen en reptielen zodat ze als twee suborden (Lacertilia of
Sauria en Ophidia of Serpentes) binnen een zelfde orde geplaatst worden.
Eén van de bijzonderste is het bezit van gepaarde copulatieorganen
(hemipenes).
|