boomkikker_hyla arborea_gijs damen

Kenmerken

De geelbuikvuurpad (Bombina variegata) bereikt een lichaamslengte van 3 tot 5 cm en heeft een langwerpig lichaam met korte poten. De achterpoten en soms ook de voorpoten zijn voorzien van zwemvliezen. De snuit is kort en afgerond. De ogen staan hoog op de kop en de pupil is driehoekig of hartvormig. De rug is grijs of bruingrijs en veelal groen gevlekt. Op de huidwratten zijn er kleine stekels.
De keel, buik en binnenzijde van de poten zijn lichtgeel tot oranje en zwart of blauwzwart gemarmerd.
De larve van de geelbuikvuurpad wordt tot 4.5 cm groot en leeft meestal op de bodem van de waterhabitat. Haar staart heeft een fijn netwerk van kleine vlekjes.

Levenswijze

De geelbuikvuurpad is een warmteminnende soort en leeft voornamelijk in door mensen geschapen pioniersgebieden: steengroeven, karrensporen, industrieterreinen en militaire terreinen. Als voortplantingsplaats kiezen ze voor kleine, ondiepe, snel opwarmende en vegetatieloze waterplassen. Bij bedreiging vertonen geelbuikvuurpadden de unkenreflex, hierbij worden de poten tot boven het lichaam gekromd zodat de felle kleur van de randen van de buik en onderzijde van de poten zichtbaar wordt. De pad draait zich dus niet op de rug (zoals op de foto) waardoor de kwetsbare onderzijde beschermd blijft .

Roep

Geelbuikvuurpadden roepen doorgaans in koor vanaf de 2e helft van april tot in de zomer. De roep is een kort, helder en melancholiek 'oeng' dat 1 tot 2 maal per seconde herhaald wordt. Het geluid is zacht waardoor het op een afstand van 50 m nog nauwelijks te horen is. Een kwaakblaas ontbreekt en de roep wordt geproduceerd door lucht via de mondholte in de longen te persen. Deze kleine padden roepen graag wanneer ze met gespreide poten in het water hangen, met alleen de kop of de ogen boven water. Eens een mannetje een vrouwtje heeft gevonden springt hij op haar en houdt haar stevig vast. Deze zogenaamde paargreep wordt wel amplexus genoemd en het mannetje wacht af tot zij haar eieren afzet zodat hij ze kan bevruchten. Bij de meeste kikkers omklemmen de mannetjes altijd de de oksels van de voorpoten van de vrouwtjes, dit wordt wel een axillaire amplexus genoemd. Bij de geelbuikvuurpad is sprake van een lumbaire amplexus, het mannetje grijpt het vrouwtje vast bij haar liezen.

Verspreiding

De geelbuikvuurpad was in Vlaanderen zeldzaam en natuurlijke populaties kwamen enkel in Voeren voor. De laatste waarneming dateert uit 1980, namelijk uit het Gieveldbos te Teuven. Sindsdien zijn er geen meer gesignaleerd. Ook in Wallonië is de soort verdwenen. De voornaamste oorzaak voor het verdwijnen van de soort zou het opdrogen en dichtgroeien van geschikte waterhabitats zijn.

Voor alle info of folders: info@hylawerkgroep.be

Laatste aanpassing: 04-06-2016 20:08:08